
Chef Little C
698 posts






























Een ochtendcolumn De papieren werkelijkheid van vooruitgang Vanaf 2028 wil Nederland het werkelijk rendement belasten. Niet langer fictieve percentages, maar wat vermogen daadwerkelijk oplevert. In de hoofdregel betekent dat dat niet alleen rente en dividend worden belast, maar ook waardeveranderingen. Wie op papier rijker wordt, betaalt belasting. Het klinkt rechtvaardig, tot je kijkt hoe waarde in de echte economie ontstaat. Al ruim tweeduizend jaar weten we dat de cost voor de baet uitgaat. Plautus schreef het al in de tweede eeuw vóór Christus “Necesse est facere sumptum, qui quaerit lucrum.” Wie winst zoekt, moet eerst kosten maken. Dat inzicht overleefde keizerrijken, handelssystemen en revoluties, maar lijkt in de moderne fiscale logica te zijn verdampt. Ondernemerschap werkt niet met directe opbrengsten, maar met tijd, risico en onzekerheid. Bedrijven investeren in hun toekomst door jarenlang geld te verliezen voordat er überhaupt winst in zicht komt. Dat geldt voor start-ups, maar net zo goed voor gevestigde ondernemingen die zwaar inzetten op technologie, nieuwe markten of schaalvergroting. Waardestijging in zulke gevallen is geen gerealiseerde winst, maar vertrouwen in een richting. Dat zien we scherp bij bedrijven die fors investeren in kunstmatige intelligentie. Hun waarderingen bewegen zich op tientallen of zelfs honderden malen de huidige winst, soms zonder winst. Niet omdat beleggers hun verstand verliezen, maar omdat waarde hier wordt gemeten in wat mogelijk wordt, niet in wat vandaag wordt verdiend. Zo bouwde Amerika het digitale ecosysteem dat nu de wereld domineert. Niet door winst vroeg te belasten, maar door verwachting ruimte te geven. Het nieuwe Nederlandse box-3-stelsel botst frontaal met die realiteit. Door waardestijging als inkomen te behandelen, belast het niet opbrengst, maar belofte. De wetgever erkent dat spanningsveld gedeeltelijk door voor aandelen en winstbewijzen in startende ondernemingen een afzonderlijk regime te creëren, waarbij waardestijging pas bij realisatie wordt belast. Maar die uitzondering is smal, afhankelijk van definities en uitvoeringsregels, en verandert niets aan de onderliggende denkwijze. Die denkwijze is dat groei telt, ongeacht liquiditeit, en dat toekomst kan worden afgerekend vóór zij zich heeft bewezen. Het stelsel behandelt investeren alsof het een beursportefeuille is, liquide, verhandelbaar en jaarlijks afrekenbaar. Alles wat daar niet in past, wordt administratief gladgestreken. Daarmee kiest Nederland een opmerkelijk eenzame positie. Andere Europese landen houden vast aan het realisatiebeginsel en belasten winst wanneer zij daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Nederland belast haar wanneer zij wordt verondersteld, en probeert de schade daarvan te beperken met uitzonderingen. Zo scheiden we ons geruisloos af van het continent, niet uit ideologie maar uit systeemlogica. Nederland klaagt al jaren over het gebrek aan scale-ups, over bedrijven die te vroeg vertrekken en over het dunne durfkapitaallandschap. Tegelijk bouwen we een fiscale werkelijkheid waarin investeren in de toekomst steeds lastiger uit te leggen is. Niet omdat ondernemen verboden wordt, maar omdat het rationeel onaantrekkelijk wordt gemaakt. Ondernemerschap leeft niet in peildata en spreadsheets, maar in geduld, visie en het vermogen om verlies te dragen voor succes. Een land dat winst belast voor zij bestaat en waarde verwart met opbrengst, geeft een helder signaal af. Voor ondernemen moet je hier niet zijn.








